Loggia

Balkon en erker steken uit het gebouw, een loggia zit in het gebouw. De loggia is een binnen het gevelvlak liggende open ruimte op het gelijkvloers of op een verdieping. Ten tijde van de renaissance in Italië was de loggia meestal een open (vrijstaande) bogenhal op de begane grond (bijv. de Loggia dei Lanzi in Florentië) of de wandelgang (bogengalerij) van een openbaar gebouw.

Foto´s. Linksboven: Rome, Albergo dell´Orso, 14de eeuw, vroegrenaissance. Rechtsboven: Venetië, Ca´d´Oro, 15de eeuw, gotisch paleis, drie loggia´s boven elkaar. Onder: Praag, Ungelt, Granovský dům, 16de eeuw, renaissance.

De beroemde architekt Andrea Palladio ontwierp villa´s met driedelige loggia´s op de bovenverdieping, vanwaar men kon uitkijken op de omgeving. De loggia was/is a place with a view (een belvedere).

De loggia doet meestal dienst als een soort veranda: resperium (poosplaats), wintertuin, zomereetkamer. De eigenlijke veranda is een open (houten) hal buiten tegen een gebouw, aan voor- of achterzijde, ze kan met glas zijn gesloten.

Loggia (D), loggia (E), loggia (F), lodžie (CZ), loggia (It)

© Piet Schepens (2014-2021)

Balkon

“Open uitbouw aan een bovenverdieping van een huis, voorzien van een balustrade en toegankelijk vanuit (een van) de kamers” (van Dale woordenboek). Een balkon steekt ter hoogte van een bovenverdieping uit aan de buitenzijde van een gebouw, is onoverdekt, heeft een borstwering en er is een balkondeur. Een balkon is zelfdragend of rust op konsoles.

Foto´s v.l.n.r: Jugendstilbalkon in Riga (Letland); neogotisch balkon aan slot Hluboká in Zuid-Bohemen; Söller in Rastatt (Baden-Württemberg.

Een speciaal type is het balkon gedragen door zuilen of pijlers tot op de begane grond. Zo´n balkon wordt in het Duits Altan of Söller genoemd (van het Latijnse solarium; in het Nederlands werd dat de zolder).

Loggia´s werden ononderbroken gebouwd van de Oudheid tot op heden. Balkons kwamen in de laatromeinse tijd sporadisch voor en gedurende latere eeuwen werden ze hier en daar op het platteland gebouwd, maar ze verschijnen onder invloed van de Arabische woonkultuur (loggia´s, zuilengangen, fonteinen …) pas t.t.v. de renaissance in Italiaanse steden en dan vooral aan paleizen en aan villa´s van de rijke middenklasse (patriciërs, handelaars en welvarende ambachtslui). Maar pas vanaf eind 18de eeuw en voorgoed in de 19de eeuw worden balkons een algemeen verschijnsel in Europese steden, waar men voordien vooral loggia´s kende (ook op binnenplaatsen). Aan de voorzijde van woongebouwen bouwde (bouwt) men pronkbalkons (Schmuckbalkons), aan de achterzijde gebruiksbalkons (Wirtschaftsbalkons), grenzend aan keukens, ook gebruikt voor het drogen van het wasgoed.

De funktie was vroeger (meer dan nu) representatief. Op de balkons aan overheids- of representatieve gebouwen, gericht naar straat of plein, tonen waardigheidsbekleders zich aan het publiek of houden er toespraken. Voordien gebeurde dat aan een open raam of bovenop de buitentrap. Nu is het een plaats vanwaar men kijkt (wie klopt aan, een gebeurtenis op straat, …) en waar men gezien wil worden. Het is ook een poosplaats en steeds vaker een rookplaats. Sommigen kweken er planten, groente (de balkontomaat) of kruiden. Vaak ontaardt een balkon (ook een dakterras) in een protserig stadstuintje. Het balkonpalmboompje schenkt een verdwaalde Aziatische halsbandparkiet even rust en de kat een klimplaats. Het leven op een balkon bepaalt in hoge mate de relatie tot de buren. Wie er konijnen of kippen kweekt vraagt om moeilijkheden. En een balkon is beslist geen geschikte plek voor de barbecue.

Ook in theaters zijn balkons en tenslotte, onze vrouwelijke lezers weten dat, een hoge, ver vooruitstekende boezem wordt ook balkon genoemd.

Balkon (D), balcony (E), balcon (F), balkon (CZ)

© Piet Schepens (2014-2021)

Erker

Foto´s v.l.n.r.: Olomouc (Moravië), raadhuis, laatgotische kapelerker van de Hieronymuskapel. Rechtsboven; Pelhřimov (Bohemen), Fára huis, oorspronkelijk een gotisch handelshuis, dan barok en in 1913-14 kubistisch verbouwd (arch. Pavel Janák), hoekerker

Een erker (arkel) is een gesloten hoekige of ronde uitbouw aan een gevel of aan de hoek van een gebouw. De erker begint (meestal) niet op de begane grond en gaat dikwijls door over twee of meer verdiepingen. De ruimte in de erker vergroot de achterliggende kamer (de erkerkamer), er zijn ramen, men kan er zitten of op de uitkijk staan. Een erker heeft een dak of erboven is een balkon. Erkers kwamen veel voor in de late middeleeuwen en de renaissance en vanaf de 19de eeuw tot op heden zijn ze een geliefd architekturaal onderdeel.

Foto´s v.l.n.r.: Barcelona (Katalonië), Casa D. Sabadell, 1914; Abensberg (Beieren), Kuchlbauerturm, arch. Friedensreich Hundertwasser, 2000/2010.

Een speciaal type is de Coburger erker, een hoekerker over twee verdiepingen met erboven een helmdak en rustend op een pijler. De kapelerker (in het Duits Chörlein genoemd) is een erker met erin een altaar. Omdat men geloofde dat de kerk een woonruimte boven een altaarruimte verbood, bouwde men aan de buitenzijde van kapellen van burchten, raadhuizen, hospitalen, patriciërshuizen enz. een erker met daarin het altaar. In Midden-Europa treft men talrijke zeer fraaie exemplaren van laatgotische kapelerkers aan.

Erker, Coburger erker

Foto: Coburger erker in Coburg, Frankenland, Beieren

Erker (D), oriel (E), oriel (F), arkýř (CZ), balcone sporgente (It)

© Piet Schepens (2014-2021)

Belvedere

J. Plečnik, Klein belvedere

Foto: Belvedere, Praagse Burcht, Zuidertuinen, Malý belvedér, arch. J. Plečník, 1925-27. Uitzicht over het oude Praag.

Een belvedere (It. “mooi uitzicht”) is de naam voor een plek of een gebouw vanwaar men een mooi uitzicht heeft op landschap of stad. Een belvedere kan vele architekturale vormen hebben: paviljoentjes, gloriettes, torentjes, loggia´s, koepels, dakpaviljoenen, dakkapellen, terrassen, trappen enz. De architektuur is benadrukt vorm gegeven als uitzichtplek m.a.w. men herkent aan de vorm dat het gaat om een struktuur vanwaar men een mooi uitzicht heeft. Zo bijvoorbeeld het Plecnikterras in de Praagse Hertengracht (Jelení Příkop). Soms krijgt een gebouw de naam Belvedere omwille van het uitzicht op de omgeving. Heet een plek of gebouw Bellaria dan is daar “goede lucht”.

Foto´s v.l.n.r.: Praag-Zbraslav, Lesopark, houten belvedere vanwaar uitzicht over de Moldauvallei; Labská stráň, (boven de Elbe bij de grens met Saksen), op 130 m hoge rots uitzichtterras Belvedér, aangelegd 1701-11.

In de V.S.A. treft men op vele plaatsen, vooral aan de oostkust, huizen aan met een widow´s walk (roofwalk). Het is een uitzichtterras en de naam is ontleend aan de romantische 19de eeuwse mythe dat vrouwen van scheepslui vanop het dakterras uitkeken over de oceaan naar het schip dat de man zou thuisbrengen, maar die zou nooit meer komen. Een dakpaviljoentje als uitkijkplaats heet er een widow´s watch.

Widow´s Walk

V.S.A., Maine, Widow´s walk en widow´s watch in een geheel (Foto: Tom Seymour)

Belvedere (D), belvedere (E), belle vue, belvédère (F), belveder, belvedér, vyhlídka (CZ)

© Piet Schepens (2015-2021)

Schamppaal, schampsteen

De met een ijzeren band beslagen wielen van karren (en koetsen), maar vooral de uiteinden van de assen van paardekarren konden schade veroorzaken aan gebouwen, fonteinen enz. Daarom plaatste men vroeger (en nu) in stad en dorp bewust stenen in de weg van voerlui, het zijn de schampstenen of schamppalen.

Een schamppaal of -steen, ook wel stootsteen of schutpaal genoemd, is een hardstenen paal of zware steen (monoliet) die de hoek van een gebouw, de inrijpoort, de gevel aan straatzijde, maar ook een brugleuning of een boom enz. beschermt tegen aanrijding. Rijdt de voerman met het karrewiel tegen een schamppaal, dan kan hij zijn kar zwaar beschadigen.

In de middeleeuwen waren de palen onversierd, later beitelde men hier en daar versieringen in de steen als bijv. gelaats­trekken. Vanaf de 19de eeuw werden ook schamppalen in metaal, meestal gietijzer, gemaakt. Schamppalen vallen in historische steden onder monumentenzorg, ze zijn beschermd erfgoed.

In de tweede helft van de 19de eeuw werden overal in stad en dorp tegen de huisgevels verhoogde voetgangerspaden, de stoepen, trottoirs of voetpaden aangelegd. Ze zorgen voor een scheiding van rij- en voetgangersverkeer, maar maken schamppalen niet helemaal overbodig. Aan weerszijden van bijv. een inrijpoort worden ze nog steeds geplaatst, dikwijls in een betonnen versie.

Radabweiser, Prellstein, Prellpfosten (D), Guard stone (E), chasse-roue (F), nákolník, nárožní kámen (CZ)

Schamppalen

Foto´s v.l.n.r.: Praag, een traditionele hardstenen schampsteen tegen een huisgevel;  Praag, Oude Stad, hoek straten Liliová en Zlatá, een bijzondere schamppaal; Parijs, inrijpoort, 19de eeuwse gietijzeren schamppaal.

Piet Schepens (2016-2021)

Woontoren, torenhuis

De donjon is de (hoofd)toren van een burchtcomplex, bestemd voor wonen én voor verdediging.

Een middeleeuwse stedelijke woontoren is een torenvormig stenen (romaans) huis, gebouwd in een tijd toen de meeste steden nog niet omwald waren. De huizen in de stad waren toen klein, eenvoudig en uit hout en leem. Alleen rijkelui bezaten een stenen woning, dikwijls een verdedigbaar torenhuis. De eigenlijke woning bevond zich op de hogere verdiepingen en daar naartoe leidde een ophaalbare houten trap. Op straat was beneden deur noch raam.

Woontorens of torenhuizen verdwijnen vanaf de 16de eeuw en worden vervangen door paleizen (adel, kerk en patriciaat). Maar de toren blijft (tot op vandaag) een symbool van macht en rijkdom.

In de tweede helft van de 19de eeuw (Gründerzeit) bouwden rijke burgers, o.w. fabrikanten, villa´s nabij de steden. Een speciaal type is de torenvilla. De dominante toren (dikwijls het trappenhuis) vertegenwoordigt het romantisch motief van de slottoren (“my home, my castle”).

Middeleeuwse indrukwekkend hoge torens in steden als San Gimignano en Bologna waren geen woontorens, geen verdedigingstorens en ook geen uitkijktorens. Een tot 50 m hoge (slanke) stenen toren was een symbool van macht, rijkdom en aanzien van de families die de ekonomisch-politieke bovenlaag vormden (rijke handelaars, ambachtslieden en patriciërs). De torens stonden (staan) bij de eigenlijke woonhuizen. Vele torens zijn verdwenen of verbouwd.

Donjon (NL, D, F, CZ), keep (E), věžová tvrz (CZ) // Wohnturm (D), tower house (E), maison-tour (F), věžovitý dům (CZ)

Torengebouwen

Foto´s v.l.n.r.: Lokšany (nabij Kolín aan de Elbe), donjon of věžová tvrz; San Gimignano, representatieve familie-torens; Praag, Oude Stad, U kamenného zvonu (De stenen klok), 14de eeuw, gotische woontoren; Praag, Vila Helenka (arch. A. Korda, 1903), Jugendstilvilla in Praag 5.

© Piet Schepens (2015-2021)

Apotropaia, afweersymbolen

Apotropaion-001-Karolinum-monster-groeneman-wildeman

Foto. Praag, Karolinum, konsoles van de laatgotische erker. Apotropaia v.l.n.r.: monster, Groene man en Wildeman.

Een apotropaion (mv. apotropaia) is een onheil afwerend, dus beschermend (magisch) voorwerp, teken of afbeelding. Het bekendste en meest voorkomende apotropaion is de amulet, een op het lichaam gedragen voorwerp ter bescherming van de drager tegen ziekte en het kwade (bijv. het boze oog). De amulet is meestal een hangertje: een kettinkje waaraan een kruisje, een (bedevaart)medaille, een edelsteen, een juweel, een tand, een houdertje (medaillon) met daarin een gedroogde plant, een pluk haren, een papiertje met magische woorden of getallen enz. Hoe ongewoner en geheimnisvoller de amulet hoe groter de werking.

De talisman lijkt op een amulet, maar is niet echt kwaadwerend, wel een gelukbrenger. Veel voorkomend is een edelsteen met een teken van de dierenriem of een hangertje met een miniatuurhoefijzer. Het vinden van een hoefijzer brengt aldus het volksgeloof geluk (zoals een klavertje vier) en hangt men die boven stal- of schuurpoort, zodat hij deel gaat uitmaken van het gebouw, dan is het hoefijzer super gelukbrengend. Een kruisbeeld of Mariabeeldje in een nis boven de ingangspoort of -deur beschermt huis en bewoners.

Foto´s. Links een Spaans amulet (Caravacakruis), rechts een 18de eeuwse talisman uit Beieren (een etuitje voor een Breverl, een gevouwen papiertje met religieuze teksten en afbeeldingen)

Kerkgebouwen (en tempels) worden opgevat als hemelse burchten die worden belaagd door het boze: de duivel en zijn gevolg, de demonen die in de bijbels-kristelijke traditie gevallen engelen zijn. Ter afwering van het kwade staat dikwijls op middeleeuwse kerkgevels een beeld van aartsengel Michael met getrokken zwaard of zijn Kristus, Maria en heiligen voorgesteld. Ook een geschilderd of geskulpteerd oog, het oog gods, weert het boze af. Sterk apotropaeisch, onheil werend dus, zijn ook het pentagram (vijfhoek; droedenvoet ter bescherming tegen droeden of druden, tovenaressen die tijdens de slaap verschijnen, vrouwelijke nachtgeesten), het hexagram (zeshoek), de cirkel en de bol.

Foto´s. Links aartsengel Michael, Wenen, Michaelerkirche, voorgevel. Rechts pentagram en hexagram, Hannover, Marktkirche. Het pentagram is geen duivelsteken (zoals in films, stripverhalen en boeken geschreven door onwetenden), maar een demonenwerend teken, het is dus duivelafwerend.

Monsters

Apotropaeische bouwskulptuur beschermt het gebouw en zijn bewoners en heeft dikwijls de vorm van het boze, wat is gebaseerd op analogiedenken: men houdt het kwaad diens eigen beeltenis voor zodat het voor zijn “dubbelganger” terugschrikt (similia similibus). Dergelijke spiegelbeelden hebben vaak de vorm van een chimaera (een vuurspuwend gehoornd fabelwezen), een draak, een duivels wezen (demon), een monster enz. Die monsters aan de buitenzijde van kerken en raadhuizen zijn dus eigenlijk wachters in de gestalte van hun belagers.

Een in de architektuur zeer gekend apotropaion is de waterspuwer (Wasserspeier, gargoyle, gargouille, chrlič) aan tempels (oudheid) en gotische kerken (middeleeuwen). Hij heeft op de eerste plaats een praktische funktie: hij leidt het regenwater op de daken weg van het gebouw en beschermt zo de muren. Omwille van de symbolische afwerende funktie heeft de waterspuwer gewoonlijk de vorm van een monster, een fabelwezen, een dier maar soms ook een menselijke gestalte. We begrijpen niet altijd meer de precieze betekenis of herkomst van de monsterlijke vormen, maar waterspuwers spreken in ieder geval nog steeds tot de verbeelding.

Foto´s. Links waterspuwer (gotisch), Ulm, Münster. Rechts demon (gotisch) op steunbeer, Praag, Maartenskerk

Maskarons

Een apotropaeisch maskaron (tronie, Neidkopf, apotropaic image, tête conjuratoire, apotropaická maska) is een meestal middeleeuws (stenen) ornament in de vorm van een grimastrekkend masker of booskijkend grotesk gezicht. Deze maskarons kunnen ook dierenkoppen zijn of monsterachtige fabelwezens, demonen, gorgonen (de bekendste is Medusa; ogen als afweertover). We treffen hen dikwijls aan op gevels van huizen, paleizen en kerken, boven portalen, op konsoles, ook op doopvonten, aan koorgestoelten enz.

Vele maskarons, vooral ten tijde van barok en Jugendstil, zijn echter enkel dekoratief, dus niet apotropaeisch, en als zodanig komen ze veel voor op sluitstenen van (deur)bogen, aan muren, aan fonteinen, op kapitelen enz.

Foto´s. Maskarons. Linksboven České Budějovice (Budweis), Zouthuis. Rechts Brno, raadhuis. Beide zijn gotisch. Linksonder een dekoratief maskaron (Jugendstil) in Praag, Parijsstraat.

Groene mannen

De Groene man is een speciaal type maskaron, niet in de vorm van een monster maar van een goedmoedig of neutraal (mannelijk) menselijk gelaat met loof (eik, akanthus, klimop, druivelaar, meidoorn) en uit de mond groeien bebladerde twijgen (variaties zijn mogelijk). Deze groteske grimas (die de beschouwer dikwijls aanstaart) zien we hier en daar geskulpteerd aan en in kerken en raadhuizen op konsoles, kapitelen, sluitstenen en bijv. ook op misericordiae van koorgestoelten. De Groene man is van oorsprong Keltisch en hij komt voor in de Romeinse kunst (god Silvanus), later in de romaanse, gotische (!) en renaissance kunst en dan opnieuw ten tijde van de 19de eeuwse romantiek en in de Jugendstil. Ten tijde van de Middeleeuwen was hij een apotropaion, in latere tijden is hij pure dekoratie (versiering).

Grüner Mann, Blattmaske (D); Green Man (E); tête feuillu, masque feuillu (F); zelezný muž (CZ)

Foto´s. Groene mannen, gotisch. Links Praag, Oudestadsplein, Tynschool, bogengalerij, sluitsteen. Rechts Lübeck, raadhuis, ingangshal.

Wildemannen

Ook de mythische Wildeman wordt goedmoedig voorgesteld, niet als het boze. Hij is een aards min of meer (oer)menselijk wezen, niet goddelijk, niet dierlijk. Hij is naakt, ruigbehaard, dikwijls met een loofkrans om de heup en op het hoofd, of helemaal met loof bekleed. In de hand heeft hij een knots. Gewoonlijk wordt hij ten voeten uit afgebeeld, soms (op kapitelen enz.) alleen het hoofd. De Wildeman is een symbool van sterkte, oerkracht en van bescherming, soms is hij een wachter, bijv. aan de ingang van een raadhuis. In mythen en sagen, bevolkt met reuzen, draken en dwergen, zijn ze dikwijls de bewakers van een schat. In de (heraldische) schilderkunst zijn ze vaak schildhouders.

Foto´s. Wildemannen. Links Litoměřice (Leitmeritz), raadhuis, voorgevel, laatgotisch. Rechts een fraaie miniatuur uit de Wenceslasbijbel (Boheems, begin 15de eeuw, laatgotisch).

Wildemannen komen veel voor in de Midden-Europese gebergten met ertsmijnen, ze behoren er tot mijnbouwwereld met zijn volks- en bijgeloof. Talrijk zijn de Wildemannen in de prachtig geïllumineerde (verluchte) handschriften van de Boheemse koning Wenceslas IV (1361-1419) waar ze samen met in kunsthistorische kringen beroemde halfnaakte badmeisjes, liefdesknopen en ijsvogeltjes voorkomen.

Wilder Mann (D), Wild man, wildman of the woods (E), homme sauvage (F), divý muž (CZ)

© Piet Schepens (2018-2021)

De auteur na arbeid

Domovoj, huisbewaarder

Lantaarndrager-domovoj

In iedere (Tsjechische) woning huist een domovoj, een soort huiskabouter of huisgeest, ook Heinzelmännchen genoemd. Het mannetje draagt een baard, een kapmantel, heeft een lantaarn in de ene en een sleutelbos in de andere hand en kan door muren gaan. De domovoj, volgens sommigen een goedaardig trolletje, is de bewaker van het huis, het beste maatje van de kat, beschermer van een mensengezin met wie hij in hun woning (onzichtbaar) in harmonie leeft en behoeder tegen huiselijk geweld. Het vrouwtje is de kikimora, van wie we geen foto tonen, men zou zich dood schrikken.

Op onderstaande foto´s zien we poortwachters of huisbewaarders. In het huis in de Táborskástraat (foto links) woont een stokoude man die beweert dat deze lantaarndragers (foto´s) geen domovojs zijn maar wel symbolische voorstellingen van de sleuteldrager (klíčník) of huisbewaarder (domovník). Hijzelf is huisbewaarder en hij geeft goede raad: doe nooit de voordeur open als de achterdeur openstaat, want dan kunnen boze geesten naar binnen!

Foto´s. Geveldekoratie aan flatgebouwen uit begin 20ste eeuw. Van links naar rechts: Praag-Nusle, Táborskástraat čp 598; Praag-Nusle, Jaromírovastraat čp 483; Praag-Vyšehrad, Neklanovastraat čp 151; Praag-Vinohrady, Slezská čp 1674.

Lantaarndrager-domovoj-01

Foto. Een typisch Tsjechische huiskamer met onder de tafel een domovoj.

© Piet Schepens (2017-2021)

Driekoningen (K + M + B) / Epifanie

Driekoningen K+M+B 01

De zeer populaire Drie Koningen behoren tot het volksgeloof, Driekoningen (6 januari) is geen officiëel kerkelijk feest, de kultus wordt geduld, maar is door de kerk nooit erkend (met uitzondering van het bisdom Keulen, waar de relieken zouden worden bewaard). Alleen in het Mattheusevangelie (Mt 2, 1-12) is sprake, niet van koningen, maar van een onbepaald aantal wijzen (magiërs) uit het oosten. Die volgden een ster en hadden drie geschenken  bij (goud, mirre en wierook) waaruit werd afgeleid dat ze met z´n drieën waren. In de 3de eeuw maakte men van de wijzen drie koningen. Vanaf de 8ste eeuw dragen ze namen en worden ze meestal voorgesteld als een jongeling (Kaspar), een man van middelbare leeftijd (Balthasar) en een grijsaard (Melchior) en als zodanig vertegenwoordigen ze de drie levensfasen. Vertegenwoordigen ze daarenboven de drie toen gekende werelddelen, Europa, Azië en Afrika, dan wordt een van hen als zwarte voorgesteld.

In de Nederlanden en in Duitsland trekken van 1 tot 6 januari kinderen ‒ en dat al vanaf de 16de eeuw ‒ gekleed als Drie Koningen van huis tot huis achter een vooraan gedragen ster, het is het sterzingen of Driekoningenzingen. Ze krijgen dan koeken of noten of wat geld. In de katholieke streken van Midden-Europa doen kinderen dat ook, tegenwoordig om geld in te zamelen voor behoeftige kinderen (In Tsjechië Tříkrálová sbírka). Met krijt schrijven ze dan boven de deur van huis (en stal) waar ze hebben gezongen de letters K + M + B (of C + M + B) en het aktuele jaartal. Het plusteken stelt een kruisje voor. Dit gebruik is sedert ca. 1500 gedokumenteerd. Aanvankelijk werd op de deuren een kruis geschilderd, later drie kruisen + + + of x x x. Het gaat om een huiszegen (bescherming) en die had / heeft als doel het kwade af te weren en geesten te bezweren, het is demonenafweer (apotropaion). Ergens midden 20ste eeuw heeft iemand voor de letters C + M +B de betekenis Christus mansionem benedictat verzonnen wat letterlijk betekent: dat Kristus deze woning zegene. Het is een vrome wens die duidelijk maakt waarover het gaat, namelijk bescherming, maar historisch is deze betekenisverklaring van de drie letters onjuist! De drie letters staan voor de namen der koningen.

Driekoningen-sterzingen Lada 1955
Josef Lada (de Tsjechische Anton Pieck), Sterzingen, 1955.

Op 6 januari viert het volk dus algemeen Driekoningen, maar in het kerkelijk liturgisch jaar is het die dag het hoogfeest van de Verschijning des Heren, Epifanie (Grieks: openbaring). Daartoe behoren de aanbidding door de wijzen, de doop van Jezus en zijn eerste wonder op de bruiloft in Kana. Tijdens de mis wordt op die dag voorgelezen uit Jesaja 60, 1-6 (Volkeren komen af op uw licht, epistel) en Matheus 2, 1-12 (De wijzen uit het oosten, evangelie).

Meer: https://www.kro.nl/katholiek/abc/epifanie.

© Piet Schepens (2017-2021)

Tytinillus

tytinillus Bosch Johannes op Patmos detail

Een tytinillus (in Engeland titivillus of tutivillus) is een kwelduiveltje, door Jeroen Bosch vele malen in vele gedaanten voorgesteld. Het is geen spionnetje van god, zoals op het web dikwijls wordt beweerd, alsof god spionnetjes zou nodig hebben. Spioneren is des duivels (en des mensen) en die spioneert niet voor god, maar voor eigen rekening. De tytinillus (in dit geval ook koorduivel genoemd, Chorteufel, Choir´s devil) had volgens de oudste bronnen de taak om zonden van priesters en monniken begaan tijdens de ere- en gebedsdienst te noteren in boeken. Daarbij ging het om zonden in het algemeen en om het oneerbiedig bidden in het bijzonder. De zondenlijst zal tijdens het Laatste Oordeel door de duivel worden gebruikt om priesters en monniken op te eisen.

Later werd de tytinillus een demoontje dat geestelijken van het gebed afleidt en tijdens de dienst hindert, een plaaggeest dus. In een nog latere versie was de tytinillus een ongenode gast in de middeleeuwse scriptoria van kloosters: de kopiisten die er het woord gods overschreven werden, zo zei men, afgeleid door het demoontje en daarom maakten ze fouten tijdens het kopiëren. De tytinillus werd zo ons zetdiuveltje.

Afbeeldingen. Links: Jeroen Bosch, Sint-Jan-de-Evangelist op Patmos, 1485, Berlijn, Gemäldegalerie; rechtsonder de beroemde tytinillus, het demoontje dat Johannes moest afleiden tijdens het schrijven. Rechts: Charles (Karel) Onghena ( Gent 1806-86), prentenmaker; de tytinillus draagt een korf boeken volgeschreven met zonden, begaan door geestelijken.

Kalkar, Sankt-Nikolaikirche, koorgestoelte, Henrik Bernts, 1508, skulptuur op een wang van dit prachtige gestoelte. De tytinillus noteert de zonden van de monniken (boek, pen, inktpot).

tytinillus Duits gebedenboek Latijn 18de eeuw -bis

Prent in een 18de eeuws Duits gebedenboek. Duivels voeren een karrevracht boeken weg. De boeken zijn volgeschreven met zonden begaan door priesters en monniken tijdens de gebeds- en eredienst.

© Piet Schepens (2017-2021)