De schilder Jan Swerts in Praag

Jan Swerts, portret 1876, naar foto Mukarovsky
Jan Swerts, 1876

Het schildersduo Joannes Swerts (Antwerpen, 1820 – Marienbad, 1879) en Godfried Guffens (Hasselt, 1823 – Schaarbeek, 1901) raakte tijdens een kunstreis in 1850-51 bezield door het religieuze werk van de Nazareners en werd de belangrijkste vertegenwoordiger van deze stijl in België. Van Swerts en Guffens zijn het reusachtige altaarschilderij en de wandschilderingen in de Mariakerk in Sint-Niklaas. Ze schilderden fresko´s in de Antwerpse Handelsbeurs: personifikaties van de werelddelen, van geografie, astronomie en zeevaartkunde en taferelen uit de roemrijke handelsgeschiedenis van Antwerpen. Daaraan werkten ze bijna drie jaar en dan, tien dagen voor de opening, brandde in een augustusnacht in 1858, het prachtige 16de eeuws renaissance gebouw af.

Jan Swerts, ontwerp fresko handelsbeurs Antwerpen

Foto: Karton voor fresko. Onderaan links gesigneerd J. Swerts, p. Onderschrift: De overheden van Antwerpen de eerste Venitiaensche gezanten aen de Werf ontvangende, 1324. / Muerschildering uitgevoerd in de kamer van koophandel te Antwerpen en vernietigd door den brand der beurs, 2de Oogst, 1858. / 1324 (Bewaard in Amsterdam, Rijksmuseum, RP-F-00-5454, “De Magistraat van Antwerpen ontvangt de eerste Venetiaanse gezanten Dardo Bembo en Giovanni Georgi aan de werf, 1324, anoniem, 1858”)

De fresko´s die ze in de Sint-Joriskerk in Antwerpen maakten, worden beschouwd als hun belangrijkste religieuze werk. Het zijn kruiswegstaties met voor het eerst Nederlandse onderschriften en dat was beslist niet vanzelfsprekend in het toenmalige België (bijvoorbeeld middelbaar onderwijs in het Nederlands werd pas in 1883 wettelijk toegestaan). De fresko´s die ze schilderden in de Lakenhalle in Ieper gingen samen met de hele stad in een vuurzee ten onder tijdens de Eerste Wereldoorlog. Een meesterwerk zijn de wandschilderingen in de raadszaal van het stadhuis van Kortrijk. De onderwerpen zijn ook hier Vlaams-nationaal: van de hand van Swerts zijn De Guldensporenslag (afgewerkt door de Tsjechische schilders F. Ženíšek en B. Roubalík, zie verder) en Dirk van Assenede leest aan gravin Beatrijs van Vlaanderen en haar hofdames zijn gedicht Floris ende Blancefloer voor (zie foto).

Jan Swerts, Dirk van Assenede en Beatrijs van Vlaanderen

Foto: Jan Swerts, muurschildering, Dirk van Assenede en Beatrijs van Vlaanderen

De kunst van Swerts en Guffens heeft geen blijvende invloed uitgeoefend. Vlamingen hielden (houden) immers meer van plat realisme en van bloedbaden dan van het verhevene. Ze hebben wel een impuls gegeven aan de monumentale schilderkunst in België en hun bezielde religieus en nationalistisch werk kon (tijdelijk) rekenen op grote waardering en bijval.

Naar Praag

Jan Swerts verhuisde in oktober 1874 samen met vrouw Mimi, maar zonder de kinderen, naar Praag waar hij het direkteurschap van de Akademie der beeldende kunsten (Akademie výtvarných umění of kortweg AVU) had aanvaard. Die was in 1799 gesticht door de privé Gesellschaft patriotischer Kunstfreunde (Společnost vlasteneckých přátel umění), die in 1896 zou worden verstaatst en de Nationale Galerie (Národní galerie) werd.
De akademie was gehuisvest op de tweede verdieping van het Klementinum (toen vooral universiteitsbibliotheek) met ramen die uitgaven op het Mariaplein en de Platnéřská ulice (Koperslagersstraat), toen nog een van de mooiste straten van de Praagse Oude Stad. (Het oude Praag zou in 1895-1903 grotendeels worden afgebroken!) Jan Swerts bleek een zeer bekwame en geliefde direkteur te zijn. Als kind van het 19de eeuws nationalisme moedigde hij zijn leerlingen, onder wie Jakub Schikaneder, Felix Jenewein en Vojtěch Bartoněk, aan om gebeurtenissen uit de Boheemse geschiedenis en legenden te schilderen. Twee van zijn leerlingen, František Ženíšek en Bohumír Roubalík, stuurde hij naar Kortrijk om er de muurschildering Guldensporenslag af te werken! Van Mikoláš Aleš ‒ welke Tsjech kent hem niet? ‒ zag Swerts tekeningen, waarin hij een groot talent meende te herkennen en hij bekommerde zich persoonlijk om het lot van deze jonge arme schilder. Hij gaf Aleš maandelijks 3 goudgulden, nodigde hem geregeld uit voor het middagmaal en kocht voor hem papier, schildersdoek en palet. Dat was heel aardig van Swerts.

Swerts organiseerde thuis bijeenkomsten van plaatselijke kunstenaars en kunstminnaars. Deze gezelschapsavonden verkregen nog een aparte toets door de gewaardeerde bijdragen van Mimi, Swerts´ minzame en intelligente vrouw. In 1876, tijdens een bezoek aan zijn ouders in Praag, overleed hun zoon Walter. Die werd begraven op de Olšany begraafplaats. Op de grafsteen (zie artikel) staat een in Praag (vermoedelijk in heel Tsjechië) uniek Nederlands grafschrift: / hier ligt begraven / WALTER SWERTS / geboren in Antwerpen / den 14 januari 1855 / gestorven gedurend een bezoek / aan zyne ouders in praag / den 21 september 1876. / hy ruste zacht in vreemde aarde. Een jaar later kreeg Jan weer een zware klap: op 13 november 1877 overleed zijn vrouw Mimi.

Jan Swerts, muurschilderingen, Annakapel, Foto J. Gloc

Foto: De Sint-Annakapel in de Praagse Sint-Vituskathedraal, muurschilderingen van Jan Swerts

Jan Swerts schilderde de fresko´s in de Sint-Annakapel van de Praagse Sint-Vituskathedraal. In zijn laatste brief (9 december 1878) aan zijn vriend Guffens schreef hij dat hij de laatste dagen van november dagelijks van tien tot drie in de ijskoude kathedraal had gewerkt en dat hij door dat stilzittend of liggend schilderen op een steiger zwaar verkouden was geworden en van die verkoudheid zou hij niet meer herstellen. Toen begin december de schilderingen klaar waren, werd Swerts door aartsbisschop kardinaal Fürst von Schwarzenberg en de kapittelheren overstelpt met lof, ook in de pers, en de daaropvolgende dagen ging het volk nieuwsgierig een kijkje nemen.

Van de slepende zware verkoudheid (vermoedelijk een longontsteking) hoopte Jan Swerts in Marienbad (Mariánské Lázně) te herstellen, maar hij overleed er op 58-jarige leeftijd op 11 augustus 1879 en werd daar op het kerkhof begraven. Ook hij ruste zacht in vreemde aarde!

© Piet Schepens (2013-2021)

De pdf-versie van het artikel Hij ruste zacht in vreemde aarde. De Antwerpse schilder Jan Swerts in Praag (Piet Schepens), dat in 2013 is verschenen in het jaarboek van Ne-Be kan men op eenvoudige aanvraag (info@agoract.cz) verkrijgen.

De kunst der Nazareners (romantiek)

De jonge schilders Franz Pforr (Frankfurt a.M., 1788 – Rome, 1812) en Friedrich Overbeck (Lübeck, 1789 – Rome, 1869) stichtten op 10 juli 1809 in Wenen de Lukasbund, een vereniging van jonge kunstenaars. Ze waren toen daar als studenten aan de kunstakademie aan de deur gezet. Ze hadden geprotesteerd tegen de akademische opleiding waarbij streng klassieke vormen centraal stonden en ze pleitten voor kunst met meer inleving, warmte, hart en ziel. Ze wilden de kunst inhoudelijke diepte geven, die ze meenden te zien in het werk van sommige renaissance kunstenaars. Pforr en Overbeck gingen samen met nog twee vrienden naar Rome, niet aangetrokken door het antieke Rome, maar wel door het kristelijke Rome. Ludwig Ferdinand Schnorr von Carolsfeld (Königsberg, 1788 – Wenen, 1853), Philipp Veit (1793 – 1877), Peter von Cornelius (Düsseldorf, 1783 – Berlijn, 1867), Friedrich Wilhelm von Schadow (Berlijn, 1788 – Düsseldorf, 1862) en anderen sloten zich in 1811-16 bij hen aan. De Lukasbroeders trokken in het verlaten Sant’Isidoro franciskanenklooster op de Monte Pincio, leidden er tot 1820 een ascetisch leven en noemden zich “Broeders van San Isodoro”. Ze schiepen er een stijl, die later als kunst der Nazareners bekend zou worden, het was religieuze kunst der Duitse Romantiek. Inspiratie vonden ze bij oude Duitse meesters als bijvoorbeeld Albrecht Dürer, Hans Holbein d. J., Hans Baldung Grien en Lukas Cranach. Ze hadden ook grote belangstelling voor werk van schilders uit de vroegrenaissance onder wie vooral Fra Angelico, Giotto en de vroege Raffael. Ze vernieuwden ook de traditie van de kristelijke muurschildering uit de 15de en 16de eeuw. Kunst moest in dienst staan van het religieuze en het openbare leven (theorie van Friedrich Schlegel). Naast de religieuze inhoud schilderden ze ook werk met patriottisch Duitse thema´s als reaktie op de toenmalige Napoleontische onderdrukkende bezetting van Europa.

Net als op vele Jezusvoorstellingen en de zelfportretten van Albrecht Dürer droegen ze lange haren met een scheiding in het midden, wat in Italië een haardracht alla nazareno wordt genoemd. In Rome werden ze daarom met lichte spot nazareners genoemd.

Foto´s. Links: Franz Pforr, Sulamith und Maria, 1811, Schweinfurt, privé verzameling. Een allegorisch werk dat als archetype van de Nazarenerkunst wordt beschouwd. Rechts: Friedrich Overbeck, De triomf van de religie in de kunst, 1840, Städel Museum, Frankfurt am Main.

Kenmerkend voor de kunst der Nazareners zijn de uitgesproken lijnvoering (sobere door de lijn gedragen vormen, belang van de tekening), de warme kleuren en de lichtinval. Perspektief is onbelangrijk. Hun religieus-patriottistische narratieve onderwerpen, vol symboliek en aandacht voor het detail, willen imponeren door verhevenheid, idealisme. Hun werken stralen rust, ernst en iets bovenaards uit. “Grootsche, diep doordachte onderwerpen wilden zij uitwerken; verheven, veelomvattende denkbeelden wilden zij in vorm brengen. Zij zochten meer nog den geest dan het oog te treffen.” (Max Rooses, Oude en nieuwe kunst, Gent, 1896, p.151.) Centraal staat de menselijke gestalte, onerotisch, de gelaatsuitdrukkingen zijn altijd ernstig en ingekeerd.

Foto´s. Links: Franz Pforr, De intrede van Rudolf van Habsburg in Bazel, 1810, Städel Museum, Frankfurt. Rechts: Friedrich Overbeck, Italia en Germania, 1815-28, Neue Pinakothek, München. Eén van de beroemdste schilderijen der Nazareners.

De belangrijkste vertegenwoordigers waren Overbeck en Cornelius, in een latere fase ook Wilhelm Kaulbach en Moritz von Schwind. De Nazareners hebben een korte, maar roemrijke bloeitijd gekend, tot ze door de realisten werden verdrongen. Hun idealisme werd later overgenomen door o.a. de symbolisten. Ze hebben invloed uitgeoefend op o.m. Maurice Denis en Jean-Auguste-Dominique Ingres in Frankrijk, de Preraffaëlieten in Engeland, de nationaal-romantische stroming en de Beuroner kunst in Duitsland, Joseph von Führich in Bohemen, Jan Toorop in Nederland en Godfried Guffens en Jan Swerts (zie aparte bijdrage) in Vlaanderen.

Foto´s. Links: Peter von Cornelius, De drie Maria´s bij het graf, 1822, Neue Pinakothek, München. Rechts: Josef von Führich, Der Gang Mariens über das Gebirge, 1841, Wenen, Österreichische Galerie Belvedere.

© Piet Schepens (2018-2021)

P.S. Lees aansluitend hierbij de bijdragen over de Nazarener Jan Swerts in Praag en over Beuroner kunst in Praag.

Franse Brand in Praag en Franse oorlogsmisdaden

Foto´s. Links: Franse Brand in Praag, 1689, prent. Rechts: omslag van het boek van Jana Pažoutová, Francouzský požár Prahy (1689), Praag, 2011.

A. Franse brand in Praag in 1689

De uitslaande verwoestende brand in Praag op 21 en 22 juni 1689 werd toegeschreven aan brandstichters in Franse dienst en is de geschiedenis ingegaan als francouzský požár (Franse brand). De brand zou zijn begonnen in de Kaprová-straat nabij de (ondertussen verdwenen) Sint-Valentijnskerk. In Praag waren toen nog vele huizen (gedeeltelijk) in vakwerk, vooral in het getto. De brand, die werd aangewakkerd door een stevige ZW-wind, duurde 24 uur, kostte aan honderden inwoners het leven en vernietigde of beschadigde 749 huizen in de Oude en in de Nieuwe Stad, zes kerken, een aantal kloosters, Ungelt en elf synagogen. Op een paar huizen na brandde het volledige getto met zijn 318 huizen af. Ook het noordoostelijk deel van de Oude Stad en het Sint-Pieterskwartier in de Nieuwe Stad waren nog slechts een puinhoop. Van de kerken werden de Sint-Jakobskerk en de Sint-Nikolaaskerk nabij het Oudestadsplein het zwaarst beschadigd, ze werden later barok wederopgebouwd. Ook de Sint-Salvatorkerk, de Sint-Kastullus, de H.Geest en de Sint-Adalbertkerk (nu verdwenen, nabij de Kruitpoort) waren beschadigd.

Al weken voor de brand was in pamfletten gewaarschuwd voor brandstichters en saboteurs in Franse dienst en door het gepeupel zijn onmiddellijk na de brand verdachten opgepakt, die op vreselijke wijze werden gedood, anderen werden na door foltering verkregen bekentenissen gevonnist en terechtgesteld. Bewijzen voor een Franse opdracht zijn er niet, maar waarom verdacht men Frankrijk? Daar waren redenen genoeg voor: het Franse leger had door haar optreden o.a. in de Spaanse Nederlanden in de tweede helft van de 17de eeuw een uiterst kwalijke reputatie en in 1688-89 hadden Franse troepen chaos en ellende veroorzaakt in de Palts door de verwoesting van steden en dorpen (zie verder). Oostenrijk was toen een van Frankrijks vijanden en de overheid liet pamfletten verspreiden waarin werd gewaarschuwd voor Franse agenten-brandstichters die ekonomische sabotage, intimidatie, ontmoediging, angst en chaos wilden veroorzaken. Later in 1689 waren ook in andere Boheemse steden (bijv. in Klatovy op 8 juli) verwoestende branden, die aan Franse agenten werden toegeschreven, maar daar waren toen nog veel houten gebouwen en misschien was het een ongelukkig toeval (historikus Petr Čornej). Voor de wederopbouw van de getroffen buurten in Praag was steen het verplichte bouwmateriaal (een maatregel die men in het getto niet zo nauw nam). De vernielde romaanse, gotische en renaissance huizen werden vervangen door barok architektuur.

B. Oorlogsmisdadiger Lodewijk XIV

Over de zonnekoning bestaat een door romanschrijvers en filmmakers geromantiseerd beeld. Deze absolutistisch heersende vorst leed aan grootheidswaan, was hoogmoedig, eerzuchtig, oorlogszuchtig, despotisch en ongevoelig voor de armoede en het leed van de bevolking. Hij streefde de Franse hegemonie over Europa na en door brutale gebiedsroof wilde hij Frankrijk noord- en oostwaarts uitbreiden tot aan de Rijn. Daarvoor voerde hij oorlogen die door barbarij waren gekenmerkt. De Devolutieoorlog (1667-68) ging over de Spaanse Nederlanden. In 1670 werd Lotharingen veroverd. Franse troepen trokken de Nederlandse Republiek binnen tijdens de Hollandse Oorlog (1672-78), het ging om louter gebiedsverovering. Tijdens de Rijngrensoorlog (1679-84), in Frankrijk misleidend Réunionoorlog genoemd, veroverde, bezette en annexeerde Frankrijk de Elzas en in 1681 ook de aloude rijksstad Straatsburg. Maar vooral tijdens de Negenjarige Oorlog hebben de Fransen oorlogsmisdaden begaan.

Foto´s. Links: generaal de Mélac, oorlogsmisdadiger in dienst van Lodewijk XIV (een Duitse prent uit die tijd). Aan het optreden van “marodeur” Mélac wordt de eeuwenlange vijandschap tussen Duitsers en Fransen toegeschreven. Rechts: de verwoesting in 1693 van Heidelberg, hoofdstad van de Palts.

C. NEGENJARIGE OORLOG (1688-97)

1. Verwoesting van de Palts in 1689

Na de Franse inval en bezetting van de Palts in 1688 zonder oorlogsverklaring werd in tegen Frankrijk een Grote Alliantie gevormd o.l.v. de Engelse koning Willem III van Oranje. Het keizerrijk riep de Reichskrieg uit tegen Frankrijk (Liga van Augsburg). De Fransen werden in 1689 tot aftocht gedwongen, waarbij ze “verschroeide aarde” achterlieten: bezetting, plundering, verkrachting, verdrijving van de bevolking en brandstichting. Van de Franse gewetenloze oorlogsminister Louvois stamt de uitroep “Brûlez le Palatinat!” De brutale en genadeloze generaal Ezéchiel du Mas, Comte de Mélac, liet dan planmatig een twintigtal steden en tientallen dorpen in de Palts verwoesten. Op 16 februari werd het prachtige renaissance slot in Heidelberg ondermijnd en opgeblazen. Op 2 maart werd dan de stad Heidelberg in brand gestoken, daarna o.m. de steden Worms, Speyer (ook de Dom met de  keizergraven), Mannheim, Maulbronn, Pforzheim, Baden-Baden en vele dorpen. Dat werd in die tijd al als een oorlogsmisdaad beschouwd. Het leverde Lodewijk XIV vele extra vijanden op (o.a. vele Duitse vorsten die voordien neutraal waren).

Tot de Franse barbarij behoren een paar jaren later o.m. ook de verwoesting van de abdij van Hirsau (september 1692) en de totale verwoesting van de stad Heidelberg (mei 1693), wat ook als een oorlogsmisdaad werd beschouwd. In 1694 was er hongersnood in Frankrijk, die aan 2 miljoen mensen het leven heeft gekost.

Foto´s: De verwoesting van Oppenheim (links) en Worms (rechts) in 1689

2. De verwoesting van Brussel

In juli 1695 werd de stad Namen op de Fransen heroverd en Lodewijk XIV stelde toen zijn generaals voor om als vergelding de Vlaamse steden Gent of Brugge te verwoesten, maar maarschalk Villeroy stelde voor om Brussel, de Brabantse hoofdstad, die sinds de 15de eeuw het diplomatieke centrum van Europa was, te bombarderen. Op 13, 14 en 15 augustus 1695 werd Brussel 48 uur lang beschoten en zo werd een van de toen mooiste steden van Europa in puin en as gelegd. Een derde van de stad met meer dan vierduizend huizen, vele nog in vakwerk, het schitterende gotisch raadhuis, vele kerken en kapellen werd door de vuurzee verwoest. Talrijke archieven en bibliotheken en kunstschatten (van der Weyden, Rubens enz.) zijn in de vlammen opgegaan. Dat leidde tot verontwaardiging in heel Europa, men sprak toen over een oorlogsmisdaad.

Foto´s. De verwoesting van Brussel door Franse beschieting op 13, 14 en 15 augustus 1695.

Bij de Vrede van Rijswijk in 1697 moest Frankrijk vele steden weer aan de Zuidelijke Nederlanden afstaan, maar Artesië en delen van Vlaanderen en Henegouwen bleven in Franse handen. Frankrijk mocht ook – onbegrijpelijk – Straatsburg en de Elzas behouden. De Franse hegemonie was in ieder geval gebroken tot aan de komst van de volgende heerser-schurk, Napoleon Buonaparte, maar dat is een ander verhaal.

© Piet Schepens (2018-2021)

P.S. 1. In het bloedjaar 1689 werden de filosoof Montesquieu (scheiding der machten!) en de Boheemse barokarchitekt Kilian Ignaz Dientzenhofer geboren. Goed nieuws uit 1689.

P.S. 2. De glorifikatie van de eigen geschiedenis d.m.v. van leugens, verdraaiing of verzwijging is een Franse topspecialiteit. Slechts een paar voorbeelden: de Franse Revolutie was van begin tot einde een orgie van bloed en geweld, Napoleon was een nog grotere schurk dan de zonnekoning en het opgehangen beeld van de beroemde résistance tijdens WO II is slechts camouflage voor de algemene kollaboratie. (GEERT MAK, In Europa. Reizen door de twintigste eeuw, deel II, Amsterdam, 2004, p. 525.)

P.S. 3. De barokke gildehuizen op de Brusselse Grote Markt dateren van na het bombardement van 1695. De bombastische voorgevels vertonen een overmatige opeenstapeling, een gewriemel en gewemel van architektuurversiersels.

Houtbestrating

Foto´s. Links: houtbestrating in een Praagse doorrit, kops geplaatste houtblokjes. Rechts: houtbestrating in de doorrit (poortgebouw) van slot Trumau in Oostenrijk.

Het geklepper van beslagen paardenhoeven en het geratel van met ijzer beslagen karrewielen op stenen zorgde voor veel geluidsoverlast, daarom opteerde men voor sommige plekken voor houtbestrating hoewel die veel minder duurzaam is dan keienbestrating. Houtbestrating kost veel, ook het onderhoud, maar de geluiddemping is groot. Vooral in (gewelfde) poortgebouwen of huisdoorgangen (doorritten), waar het lawaai wordt versterkt, treft men nu nog houtplaveisel aan. Voerman of koetsier reden erdoor naar binnenplaatsen met ateliers, opslagplaatsen en op veel plaatsen met paardenstallen en koets- en karrehuizen. In de twee doorritten van het Kinskýpaleis op het Praagse Oudestadsplein is de houtbestrating bewaard.

Foto´s. Links: prent St. Petersburger Skizzen, Holzpflasterung, 1877. Rechts: een kales (Kalesche, bryčka).

Houten blokjes van 8 tot 12 cm2 worden kops, dus met zichtbare jaarringen bovenaan, gelegd in visgraatverband of in halfsteens verband. Gebruikte houtsoorten zijn spar en den of harde soorten als eik, beuk en lork (lariks). Afhankelijk van de houtsoort gaan de blokjes 20 tot 40 jaar mee.

Midden 19de eeuw heeft men vooral in Amerikaanse en Engelse steden geëxperimenteerd met houtplaveisel voor straten, maar hout werkt, het zet uit door vocht of krimpt. Houtbestrating werd in de 19de eeuw ook toegepast op bruggen (minder gewicht dan keien) en tussen tramrails.

Foto´s. Links: Praag, Oudestadsplein, eind 19de eeuw, hand- of stootkarren. De prachtige barokke Mariazuil werd in 1918 door gepeupel vernield. Rechts: karren op een binnenplaats van het ca. 1900 afgebroken Joods ghetto in Praag.

Kopshouten vloeren werden en worden ook binnen aangelegd, bijv. in paardenstallen en in ateliers en werkplaatsen. Ze zijn vrij duurzaam, geluiddempend en vonkdovend en dus ook geschikt voor bedrijven waar metaal wordt bewerkt (smidse, werktuigfabrikatie) omdat de wegvliegende vonken en splinters op het elastische, aardevochtige en vonkdovende hout niet wegspringen en de kans op verwonding kleiner is.

Holzpflasterung (D), Wooden paving (E), pavement en bois (F), dřevěná dlažba (CZ)

© Piet Schepens (2018-2021)

Vakwerkkerken

Vredeskerken in Silezië

(Silezië was tot 1945 Duits gebied, maar werd na de Tweede Wereldoorlog door Polen geannexeerd en 3,25 miljoen Duitsers werden toen verdreven.)

Bij de Vrede van Westfalen (1648, einde Dertigjarige Oorlog) – vandaar de naam vredeskerken (Friedenskirchen) – hadden de Zweden van de Oostenrijkers bedongen dat de lutheranen in die gebieden van Silezië, die overwegend protestants waren, drie kerken mochten bouwen. De Habsburgse keizer Ferdinand III stond de bouw toe in de steden Jauer, Schweidnitz en Glogau op voorwaarde dat ze buiten de stad werden gebouwd, dat geen steen ook geen baksteen als bouwmateriaal werd gebruikt en dat de bouwtijd maximum één jaar was. De bouw van klokkentorens was verboden en de protestantse parochies moesten zelf voor de kosten opdraaien.

De kerk in Glogau, gebouwd in 1652, is vernield bij een brand in 1758. De twee overgebleven vredeskerken zijn van indrukwekkende grootte en schoonheid, men moet ze met eigen ogen hebben gezien! Ze zijn door de Unesco beschermd.

Foto´s: vredeskerk in Jauer

De H. Geestkerk in Jauer / Jawor werd ontworpen door de Breslauer militaire bouwmeester Albrecht von Saebisch (1610–1688), die in 1654-1655 ook de bouwleiding had. De kerk is 43,5 m lang, 14 m breed en  15,7 m hoog. Op een oppervlakte van ca. 1180 m² biedt de kerk plaats aan bijna 5500 personen.

Foto´s: vredeskerk in Schweidnitz

De H.Drievuldigheidskerk in Schweidnitz / Świdnica is een van de meest bijzondere Europese kerkgebouwen überhaupt. Ook hier was de architekt Albrecht von Saebisch. De zeer fraaie kerk werd gebouwd van augustus 1656 tot juni 1657 op een grondplan van een Grieks kruis (schip 44  x 20 m, dwarsbeuk 30,5 x 20 m). De oppervlakte bedraagt ca. 1090 m². De 28 apsidevormige aanbouwseltjes zijn ingangen waarlangs men o.a. de loges en galerijen op de tweede of derde verdieping bereikt. Die galerijen omgeven de hele binnenruimte zodat de kerk in totaal aan bijna 7500 (ca. 3000 zitplaatsen) mensen plaats biedt. Het interieur is beschilderd met thema´s uit de apokalyps. Op de galerijen zijn opschriften (78 bijbelversen) met bijhorende allegorische voorstellingen.

De kerk werd in 1979-80 met steun van het Gustaf-Adolf-Werk en van de Wereldkerkenraad zorgvuldig gerestaureerd en werd in grote mate weer in haar oorspronkelijke toestand gebracht.

Wat verderop staat de in 1708 gebouwde klokkentoren. Op het mooie oude kerkhof zijn nog vele graven van Duitse families bewaard gebleven, ook dat van de laatste Duitse pastor (1957).

Gnadenkirche Milicz, Wikipedia

Foto: Gnadenkirche in Militsch

Gelijkaardige vakwerkkerken zijn bijvoorbeeld die van Militsch / Milicz (1709-1714), Herrnprotsch / Pracze Odrzańskiede (1644-1648) en Kriegheide / Pogorzeliska (1654).

Vakwerkkerken in Hessen en elders

Ook in Hessen bouwde men op het platteland ten tijde van de Reformatie dorpskerken in vakwerkbouw zoals de huizen in de streek. De lutherse gemeenten hadden weinig geld en vakwerkbouw was goedkoper dan stenen gebouwen. De bewoners konden daarenboven de kerken zelf bouwen, ze hadden geen bouwmeester, steenhouwers noch metselaars nodig. Meer dan een op de tien plattelandskerken in Hessen is in vakwerk uitgevoerd.

Vakwerkkerk Ruppertenrod, Wikipedia

Foto: Lutherse vakwerkkerk in Ruppertenrod, Hessen, 1711

In Thüringen, Saksen, Brandenburg en elders vindt men ook vakwerkkerken en ook in de Champagne (F), het zijn zonder uitzondering dorpskerken.

© Piet Schepens (2018-2021)

Kerkgebouwen: kathedraal, basiliek e.a.

Kathedraal Brno

Foto: de (neo)gotische roomskatholieke Petrus-en-Pauluskathedraal in Brno, Moravië. (Foto: Czech Tourism)

Wanneer is een kerk een kathedraal?

Een kathedraal is een bisschopskerk waarin de zetel of stoel (Grieks kathedra, Latijn cathedra) van de bisschop staat. In ieder bisdom kan slechts één kerk de kathedraal zijn. In Noord-Duitsland noemt men de kathedraal dikwijls Dom (Lat. Domus Dei of Huis Gods), in Zuid-Duitsland meestal Münster, oorspronkelijk een klooster (Lat. monasterium). Maar niet elke Dom of Münster is een kathedraal, ook elke andere grote stadskerk kan zo worden genoemd. Tsjechen gebruiken het woord katedrala ook voor een gotische kerk gebouwd met steunberen, luchtbogen en pinakels.

Praag telt – jawel – VIER kathedralen: elke religie waar bisschoppen en dus ook bisdommen zijn heeft haar eigen kathedraal. Zo zijn er de rooms-katholieke Sint-Vituskathedraal (eigenlijk kathedraal van Sint-Vitus, Wenceslas en Adalbert), de grieks-katholieke Sint-Clemenskathedraal, de oudkatholieke Sint-Laurentiuskathedraal en tenslotte de orthodoxe Sint-Cyrillus-en-Methodiuskathedraal (zetel van een patriarch).

Kathedraal_Laurentius_Petrin_Wikipedia

Foto: Praag, Petřínheuvel, Sint-Laurentiuskerk (Johann Ignaz Palliardi, 1735-1770, barok), kathedraal van de Oudkatholieken.

Volgens foldertjes van op geld beluste organisatoren van nepkoncerten (toeristenval) is zowat iedere kerk in Praag een kathedraal. Puur marketingbedrog. Toeristen worden voortdurend en overal bij de neus genomen. Muziek wordt tijdens zulke toeristenverzamelingen vermassakreerd, maar het staat goed om thuis te kunnen vertellen dat men in Praag in de Sint-Nikolaaskathedraal of in de Salvatorkathedraal een uitvoering van Vivaldi´s Vier Jaargetijden heeft bijgewoond. “Schitterend! En wat was de violiste mooi zeg.”

Een metropool is een stad waar een metropoliet, een aartsbisschop zijn zetel heeft. Nu wordt elke grote stad metropool (wereldstad) genoemd.

Een titelkerk is een aan een kardinaal toegewezen kerk in Rome.

Basiliek

Een basiliek is een kerkgebouw volgens de Romeinse architekturale basilikale aanleg en opbouw d.w.z. meerbeukig waarbij de middenbeuk boven de zijbeuken rijst.
Een basiliek kan ook een eretitel zijn die aan bepaalde kerkgebouwen wordt verleend. Men onderscheidt een basilica maior (vier in Rome, twee in Assisi) en een basilica minor. Van die laatste zijn er 15 in Tsjechië, 26 in Nederland en 17 in Vlaanderen.

Foto´s. Links de O.L.V.-basiliek (Wenceslas Coeberger, 1609-1627, barok) in het Brabantse Scherpenheuvel, een van de belangrijkste bedevaartoorden in Vlaanderen. Rechts de Sint-Laurentiusbasiliek  (Johann Lucas von Hildebrandt, 1699-1722, barok) in het Noord-Boheemse Jablonné v Podještědí (vroeger Deutsch Gabel)

Andere kerkgebouwen

En verder zijn er wat vorm of funktie betreft nog vele andere kerken.

  • Abdijkerk, kloosterkerk: op de eerste plaats bestemd voor de religieuze gemeenschap van abdij of klooster, het koorofficie staat centraal.
  • Kapittelkerk of kollegiale kerk: (stads)kerk waaraan een kapittel d.i. een kollege van kanun­niken is verbonden. Bestemd voor het koorofficie en ook voor erediensten voor leken. Ook Stiftskerk genoemd.
  • Stadskerk: hoofdkerk van een stad, dikwijls een kapittelkerk. In bisschopssteden vaak de “rivaal” van de kathedraal.
  • Parochiekerk: kerk ten dienste van een parochiegemeenschap of gemeente, geleid door een pastoor.
  • Doopkerk of baptisterium: uitsluitend bestemd voor de toediening van het doopsel.
  • Grafkerk: kerk waarin het graf van een beroemde persoon.
  • Bedevaartkerk: kerk waar het graf of relieken van een heilige bijzonder worden vereerd. Kan ook op­gericht zijn op de plaats waar een mirakel zou hebben plaats gevonden. Pelgrims bezoeken de kerk als boetedoening, om gunsten af te smeken enz.
  • Kapel: een klein gebouw bestemd voor gebed. Als onderdeel van een kerk gaat het om kleine zijruimten met een altaar waaraan een vikaris kan zijn verbonden. Deze kapellen zijn meestal stichtingen van ambachten, gilden, broederschappen, partikulieren of dienden om de relieken in het bezit van de kerk te vereren.
  • Hallenkerk: meerbeukig kerkgebouw waarbij alle beuken op dezelfde hoogte zijn overwelfd (talrijk in Midden-Europa).
  • Zaalkerk: (eenvoudige) éénbeukige kerk.
  • Weerkerk: als vluchtoord versterkte kerk. Diende als schuilplaats in tijden van nood. Komt o.a. veel in de Karpaten voor.
  • Schuilkerk: een ruimte, als kerk ingericht, in een partikulier huis, bijv. Ons’ Lieve Heer op Solder in Amsterdam.
  • Friedenskirche: zie aparte webpagina

Foto´s. Links: Bohemen, Trhové Sviny, Drievuldigheidskerk, bedevaartkerk, 1708-1710, barok (foto: Bart Van Bambost). Rechtsboven: Noord-Bohemen, Most (Brüx), Mariakerk, hallenkerk, Jacob Heilmann en opvolgers,  1517-1594, gotiek. Rechtsonder: Roemenië, Zevenburgen, Hărman (Honigberg), weerkerk, 13de eeuw.

© Piet Schepens (2018-2021)

Wilsonstadt (Wilson City), Bratislava

Preßburg

De stad die nu Bratislava heet was ooit het Romeinse Posonium. In 907, toen de nederzetting aan de Donau Hongaars werd, was de naam Brezalauspurc. Rond het jaar 1000 vestigden zich daar veel Beieren. De Duitssprekende inwoners waren van midden 13de eeuw tot ca. 1900 in de meerderheid. Midden 19de eeuw waren er 23.000 Duitssprekenden, 9.500 Slovaken en 3.000 Hongaren. In 1907 was de helft van de inwoners nog Duitstalig (in 1930 28%). Het was een multikulturele stad met ook een belangrijke Joodse minderheid. (Zoals bijv. ook Lemberg, het huidige Lviv in West-Oekraïne.) De stad heeft vele namen gehad o.m. Preßburg (D), Pozsony (H) en Prešporok (Slovaaks), nu Bratislava.

De Turken bezetten in 1526 Boeda en dan werd Preßburg meer dan twee eeuwen lang (1536-1783) de hoofdstad van Hongarije en van 1563 tot 1830 werden de Habsburgse keizers er tot koning van Hongarije gekroond.

Oostenrijk-Hongarije 1910

Kaart: de volkeren in de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije in 1910

Wilsonstadt, Wilsonovo město

Na de vorming in 1918 van de nieuwe staat Tsjechoslovakije werd het Slovaakse bestuurscentrum eerst de stad Žilina (Sillein) dat vooral Slovaaks sprekend was. De bevolking van Preßburg wou niet bij Tsjechoslovakije worden ingelijfd en overwoog om een vrije stad te stichten naar het voorbeeld van Dantzig. Die nieuwe stad zou Wilsonstadt (Wilson City) worden genoemd, naar de Amerikaanse president Woodrow Wilson (Veertien Punten-programma). Voor de gloednieuwe Tsjechoslovaakse (Tsjechische) overheid was dit totaal onaanvaardbaar: ze zou de Donauhaven en een belangrijk regionaal centrum verliezen. Tsjechoslovaakse troepen (legionnairs) namen in november en december 1918 stapsgewijs het Hongaarse Slovakije (Opper-Hongarije) in. Op Kerstavond 1918 werd Košice ingenomen en daarmee was bijna heel Slovakije onder Tsjechische kontrole. Tenslotte werd op 31 december 1918 de stad Preßburg door Tsjechische legionnairs bezet. De Duitse en Hongaarse inwoners verzetten zich: er werd een algemene staking uitgeroepen en er vonden massademonstraties plaats waarbij 9 tot 15 doden vielen. Daarmee was de droom van een vrije stad voorbij. Het projekt had overigens geen steun van Frankrijk en Groot-Brittannië en Hongarije zou waarschijnlijk de vrije stad later (met reden) hebben opgeëist. Vele Hongaren verlieten de stad en vele Slovaken trokken vanuit de bergen naar Bratislava.

Op 4 februari 1919 werd het regionaal bestuur van Žilina overgebracht naar de ondertussen tot Bratislava omgedoopte stad, die de facto hoofdstad van Slovakije werd maar de iure slechts een vanuit Praag geleid regionaal bestuurscentrum zou zijn. (Pas in 1969 werd Tsjechoslovakije een federatie.)

In Bratislava is nu een Wilsonstraat en heeft jaarlijks het Wilsonic Festival plaats. In Praag heette van 1918 tot 1939 het hoofdstation Wilson Station (Wilsonovo nádraží), gelegen aan de Wilsonstraat (Wilsonova) en zo heet die straat nog steeds.

Bratislava_1919_defile

Foto: triomfantelijk defilé van Tsjechische legionnairs in Bratislava (Prešpurk) op 5 februari 1919.

© Piet Schepens (2018-2021)

Meetpunt en hoogtemerk

Foto´s. Linksboven: Praag, Kleine Zijde, meetpunt in gevel van gebouw čp 506. Linksonder: meetpunt in Duitsland (Triangulationspunkt). Rechts: meetpunt in Frankrijk.

Wat zijn de metalen bouten die, ongeveer op kniehoogte of lager, overal in gevels van gebouwen in Praag (en elders) zitten? Legt men er honden aan vast? Gaat het om verankering van steigers? Nee, vele van die bouten zijn meetpunten of meetmerken gebruikt in de landmeting (landmeetkunde), maar het kunnen ook hoogtemerken zijn.

Foto´s v.l.n.r.: meetpunt in wegdek, Nederland; een Nederlandse meetspijker.

De geodetische meetpunten in de landmeting zijn dikwijls ofwel kernnetbouten in gevels ofwel meetspijkers in stoepen. In Nederland staat vaak de tekst MEETPUNT op zo´n meetspijker. De bouten en spijkers maken deel uit van het zogenaamde kernnet (landmeting), een net van rijksdriehoekskoördinaten (triangulatiepunten). Het kunnen ook punten zijn waarmee deformatiemetingen worden uitgevoerd: bewegingen van een gebouw of tussen gebouwen onderling zijn met het blote oog normaal niet vast te stellen en daarom voert men geregeld zeer nauwkeurige metingen uit van meetpunten ten opzichte van elkaar. Zo kan men verzakking, schade of onveiligheid vaststellen.

Vermessungspunkt, Triangulationspunkt (D), surveying benchmark (E), point géodésique (F), geodetický bod (CZ)

Er is een verschil tussen bovengenoemde meetmerken (landmeting) en hoogtemerken (hoogtemeting). De hoogtemerken of peilmerken zijn in muren aangebrachte peilbouten of metalen plaatjes waarop een verkenmerk (sic) is aangebracht dat de hoogte ten opzichte van de zeespiegel weergeeft, uitgedrukt in meter boven zeeniveau. Het hoogste punt in Nederland, NAP +322,20 m, bevindt zich in de gemeente Vaals (nabij Aken). In Nederland geldt als “hoogte nul” (zeeniveau) het Normaal Amsterdams Peil (NAP) dat ook wordt toegepast in Duitsland, Luxemburg, Finland, Zweden en Noorwegen. Het NAP-net bestaat in Nederland uit ongeveer 40.000 zichtbare peilmerken met het opschrift NAP. Van elk peilmerk is de juiste hoogte bekend. De Europese Unie streeft ernaar om van de NAP de Europese standaard te maken. Vele landen hebben immers een eigen systeem, in België bijv. geldt de Tweede Algemene Waterpassing (TAW), ook Oostends Peil genoemd. TAW = NAP – 2,33 meter.

Foto´s v.l.n.r.: Praag, raadhuistoren van de Oude Stad, hoogtemerk; idem, detail.

Ten tijde van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie gold het zeeniveau van de Adriatische Zee (*), m.a.w. de gemiddelde hoogte van het zeewater in Triëst (thans een Italiaanse stad). Dit systeem wordt uitgedrukt in meter boven de Adria (Adriahöhe) en wordt nog toegepast in Oostenrijk, Slovenië, Kroatië en de overige landen die ooit samen Joegoslavië hebben gevormd. Adria = NAP – 34 cm. In Bohemen en Moravië en later in Tsjechoslovakije werd het Adriasysteem toegepast tot 1952. Dat verklaart waarom de oude hoogtemerken (aan torens, stationsgebouwen …) het opschrift dragen: výše nad hladinou moře jaderského (hoogte boven de waterspiegel van de Adriatische Zee). Hier en daar treft men in Praag nog historische peilmerken aan, bijv. aan de Kruitpoort, het belfort van de Oude Stad, de watertoren van de Oude Stad, de toren van de Karelsbrug (Kleine Zijde). Thans wordt in Tsjechië het Baltisch systeem toegepast, dat de norm was ten tijde van het Warschaupakt en nog steeds wordt toegepast in de landen die lid waren van dat Warschaupakt. Het Baltisch peil (Kronstadtpeil) bevindt zich in Kronstadt nabij Sint-Petersburg. Kronstadtpeil = Adria – 46 cm. Kronstadtpeil = NAP + 14 cm.

Foto´s v.l.n.r.: Praag-Vršovice, stationsgebouw, hoogtemerk; Praag, Oude Stad, watertoren, hoogtemerk.

(See)höhenmarke (D), mean sea level benchmark (E), plaque de nivellement (F), nivelační bod, nadmořská výška (CZ)

(*) De Adriatische kust in Kroatië is nu de meest geliefde vakantiebestemming van de Tsjechen. In de jaren zeventig, ten tijde van het kommunisme, ontwikkelde men in Praag onder leiding van prof. Karel Žlábek een (nooit uitgevoerd) plan voor de aanleg van een snelspoorverbinding (ca. 200 km/u) tussen České Budějovice en de Adria. Van de 410 km zou 350 km door tunnels in (onder) Oostenrijk gaan. Joegoslavië ging akkoord om met het uitgegraven gesteente voor de Adriakust een eiland aan te leggen, dat dan Tsjechoslovaaks territorium zou worden. Jawel.

© Piet Schepens (2014-2021)

Ophoging van de stad

Talrijke steden aan grote rivieren zijn al vanaf de middeleeuwen bewust opgehoogd omdat ze te kampen hadden met wateroverlast. In Praag trad (treedt) de Moldau vaak buiten haar oevers en al in de 13de eeuw begon men met de planmatige ophoging. Op sommige plaatsen is dat duidelijk zichtbaar, bijv. in de buurt van het Agnesklooster. Veel kelders van oorspronkelijk romaanse en gotische stenen huizen in de Oude Stad (Staré město) waren oorspronkelijk de benedenverdiepingen. Op sommige plaatsen is het huidige straatniveau tot vier meter hoger dan het middeleeuwse niveau!

Ophoging der stad

Foto´s v.l.n.r.: Praag, Oude Stad, de straten Kozí en U milosrdných; Praag, Nieuwe Stad, Jindřišská-straat, niveauverschil rond de Sint-Hendrikskerk (Kostel sv. Jindřicha a Kunhuty)

Na de afbraak van het voormalig ghetto omstreeks 1900 werd het hele areaal opgehoogd. Daardoor zijn de enkele bewaard gebleven gebouwen zoals synagogen duidelijk zichtbaar lager gelegen dan de omringende nieuwe gebouwen uit 1893-1912. (De hoofdruimten van synagogen zijn nog lager gelegen, maar dat heeft met de Joodse wet te maken).

Ophoging der stad

Foto´s v.l.n.r.: Krakau, Rynek, Sint-Adalbertkerk, niveauverschil van 2 meter; Praag, Oude Stad, Kozí-straat

In Krakau, de oude Poolse koningsstad die voortdurend werd bedreigd door de rivier Weichsel / Wisla, is het niveau van het marktplein in de loop der eeuwen tot 3 meter opgehoogd. Ook Parijs, Londen, Keulen, Straatsburg, Utrecht en zeer vele andere steden, groot en klein, zijn opgehoogd. In de Antwerpse kathedraal zijn verschillende vloerniveau’s archeologisch opgegraven. De huidige kerkvloer is 2,1 m hoger dan de oorspronkelijke romaanse vloer.

Foto´s. Hoe zagen straten en pleinen er vroeger uit? Volgens ons beeld van de middeleeuwen, gebaseerd op hedendaagse films en romans, vies, vuil, smerig. Dat klopt niet. Natuurlijk hoeven oude schilderijen geen getrouwe weergave van de werkelijkheid te bieden. Linksboven: Meester van Flémalle, Merode-altaar, detail, ca. 1430. Linksonder: Meester van de Passietaferelen, Mirakel van Antonius van Padua, detail, begin 16de eeuw. De bestrating bestaat uit keien! Rechts: Jörg Müller, rekonstruktie middeleeuwse stad in Stadtluft, Hirsebrei und Bettelmönch, Die Stadt um 1300, Zürich, 1992, p. 386. Varkens gehoed door een jongetje.

Er zijn helaas nog steeds auteurs van pseudohistorische boeken die beweren dat de middeleeuwse mens geen notie had van hygiëne en dat afval door het raam naar buiten werd gekieperd en dat daardoor de straten ophoogden. Onzin! De mens heeft altijd een verband gelegd tussen hygiëne en ziekten. Veel afval was er overigens niet in de middeleeuwen. Etensresten, voor zover die er waren, waren voor de varkens, die niet (!) vrij rondliepen, ze werden in opdracht van het stadsbestuur gehoed. (Vrij rondlopende varkens zouden niet lang hebben rondgelopen!) Nachtpotten werden niet door het raam geledigd, daarop stonden boetes. Ook het willekeurig achterlaten van afval was verboden. Er waren op vele plaatsen in de steden beerputten en afvalkuilen (Senkgruben, Müllgräben) en waren die vol, dan groef men een nieuwe kuil. Aarde en niet-organisch afval als puin, potscherven enz. werden gebruikt voor de systhematische ophoging van de steden. Zijn er archeologische opgravingen dan lijkt het dat mensen overal afval achterlieten, maar dat klopt niet.

© Piet Schepens (2017-2021)

Driekoningentaart en de boonkoning

Driekoningentaart

Foto: Driekoningentaart met een boon

Het is een oud gebruik om op Driekoningenavond (5 januari) of op Driekoningen (6 januari) in het gezin driekoningenbrood of -taart te eten, ook driekoningenkoek, bonenbrood of boonkoek genoemd. Het gaat om zoet (rozijnen)brood, taart of gebak met een boon erin. Wie de boon in zijn deel van de koek vindt is koning(in) van het driekoningenfeest, kortweg de boonkoning(in). Het kind dat de boon vindt wordt gekroond met een papieren kroon en mag bijvoorbeeld bepalen welke spelletjes zullen worden gespeeld en om hoe laat de kinderen die avond naar bed moeten.

Waarom een boon? De bonenplant is een van de eerste die na de winter groeit en vertegenwoordigt nieuw leven, vruchtbaarheid (cf. suikerboon bij geboorte). Bonen zijn altijd in gedroogde vorm beschikbaar, ze zijn voedzaam. Daarenboven zijn ze klein en niet te hard, dus geschikt om in een taart te verbergen. De boon kan worden vervangen door een amandelnoot, een muntstuk (Griekenland), een ring of ander klein voorwerp als bijv. een figuurtje (zie verder).

Geschiedenis

Sommigen beweren dat het gebruik uit de Romeinse tijd dateert, maar dat kan men niet bewijzen, het kwam in ieder geval in West-Europa en in delen van Midden-Europa voor vanaf de 14de eeuw. Het was (is) op de eerste plaats een kinderfeest, maar ook volwassenen hadden (hebben) hun versie. In stedelijke of beroepskringen kozen volwassenen ook een koning, waarna andere rituele elementen volgden als processies, eredienst en tenslotte vrolijk feestvieren. Het ritueel kwam voor in kloosters, in hospitalen, bij ambachten en gilden, bij studenten, scholieren, boeren en zelfs aan het Franse koningshof! Allemaal kozen ze een eigen koning of koningin, die dan soms zelf een koning(in) mag kiezen. Komt de in Vlaanderen bekende uitdrukking „voor iemand een boontje hebben“ (een zwak hebben voor iemand) daar vandaan?

Er waren nog andere manieren om door het lot een koning te kiezen bijv. door het trekken van voorgedrukte of geschreven papiertjes. Men kon dan ook een koningin, prins, prinses, hofmeester, maarschalk, voorproever, speelman e.a. kiezen. Als de koning was gekozen en gekroond volgde een gemeenschappelijke dronk en telkens wanneer de koning het glas hief riep het gezelschap „De koning drinkt“. In Franstalige gebieden verkreeg het ritueel de naam „le roi-boit“, wat voor Fransen grappig is om uit te roepen. Het was een frivool dronkemansfestijn, dat in de 17de en 18de eeuw een populair schildersgenre zou worden (zie verder).

Driekoningen, prent Otto von Reinsberg-Düringsfeld, Leipzig, 1863

Foto: prent uit Otto von Reinsberg-Düringsfeld, Das festliche Jahr in Sitten, Leipzig, 1863

Waar komt het gebruik voor?

In de 17de eeuw werd het driekoningenfeest in Noord-Nederlandse streng-protestantse kringen fel bekritiseerd, veel kalvinisten wijzen het nog steeds af als een heidens gebruik. Tot in de 18de eeuw was het ritueel vast verbonden aan het driekoningenfeest, maar dan gaat het verband met 6 januari op veel plaatsen verloren en treedt in de 19de eeuw een karnavalisering op met de koning als een narrenfiguur. Begin 20ste eeuw is het gebruik in het Duitse taalgebied grotendeels verdwenen met uitzondering van katholieke gebieden aan Moezel en Benedenrijn. Hier en daar worden nog (of opnieuw) in verenigingsverband uitgebreide driekoningendiners georganiseerd bijv. door „die Freunde Kants und Königsbergs“ en sinds 1898 schuiven in Frankfurt am Main toplui uit de bedrijfs- en financiële wereld aan tafel voor de „Bohnenrunde“.

Het gebruik komt nog steeds voor in katholieke landen en streken als Frankrijk, Katalonië, Spanje, Portugal, Luxemburg, Wallonië, Vlaanderen, het zuiden van Nederland en in Latijns-Amerika. In de rest van Europa zijn bonenkoningen thans eerder lokale verschijnselen.

Bohnenkönig (D), bean king (E), roi de la fève (F)

Porseleinen figuurtjes, fèves

I was greatly surprised to find something very hard, which almost made me break a tooth, in a mouthful of cake. Gently I took this thing from my mouth and I saw that it was a little porcelain doll, no bigger than a bean. (Guy de Maupassant, Mademoiselle Perle, 1886.)

Driekoningen, porseleinen figuurtjes

Foto: porseleinen verglaasde figuurtjes, in Frankrijk fèves (bonen) genoemd.

La fève (boon) is een tot 2 cm groot porseleinen of aardewerken meestal verglaasd figuurtje, dat de boon in de taart vervangt. (Niet te verwarren met de Provencaals santon, een kerststalfiguurtje meestal 4 tot 15 cm groot.) Het eerste porseleinen figuurtje zou in 1874 in Duitsland zijn gemaakt, waar bakkers de bonen begonnen te vervangen door een klein porseleinen handbeschilderd poppetje. Vanaf 1880 komen ze ook voor in Frankrijk. De waardevolste dateren van voor 1914 en die zijn vrijwel steeds religieus van aard (drie koningen, Maria, enz.). Na WO I nam Limoges de produktie over en kregen de poppetjes andere gestalten en gedaanten (zie verder). Vanaf de jaren negentienhonderdzestig maakte men ook plastieken figuurtjes en eind jaren tachtig kende het fenomeen een grote boom. De figuurtjes worden gemaakt in porseleinfabrieken o.a. in opdracht van (industriële) bakkerijen en banketbakkerijen. Jaarlijks komen er naar schatting meer dan 4000 nieuwe allemaal verschillende figuurtjes op de markt, maar 95% daarvan wordt nu gemaakt in Azië. Vele bakkerijen in Frankrijk verkopen een koningentaart in een daartoe bestemde doos of zak met daarin ook een of meer figuurtjes en een papieren kroon.

De figuurtjes komen voor in vele vormen en gedaanten. De meeste hebben absoluut niets meer te maken met Driekoningen, maar stellen filmsterren, Disneyfiguurtjes, stripverhaalhelden, dieren, beroepen, landen enz. voor; dikwijls zijn het prullaria als huisjes, fonteintjes, molentjes enz. Ze zijn nog slechts dekoratie, meestal bewaard in een speciaal doosje. In Frankrijk zijn veel verzamelaars van de figuurtjes, ze worden fabophiles genoemd en hun tijdverdrijf heet fabophilie.

De koningstaart met figuurtjes is vooral in Frankrijk, Katalonië, Zwitserland en Québec zeer populair. In Noord-Frankrijk en Wallonië heet het grote taartvormige met frangipane gevulde bladerdeeggebak galette des rois. Typisch voor Zuid-Frankrijk (Occitanië) is de gâteau des rois, een ringvormige vruchtencake (dikwijls met gekonfijt fruit). Een gelijkaardige brioche in de vorm van een kroon treft men aan in Katalonië (tortell de reis), Spanje (roscón de reyes) en portugal (bolo rei). Ook in Zwitserland zijn de figuurtjes populair, wat te danken is aan de inzet van kultuurhistorikus Max Währen, die eind jaren 1950 het gebruik met de steun van het Verbond van Zwitserse Bakkers en Pasteibakkers met sukses propageerde. De meeste figuurtjes zijn er in plastiek, men koopt het gebak met het figuurtje er al in. Een plastieken figuurtje kost ongeveer 0,50 euro (sic). In New Orleans zijn plastieken jezuskindjes populair.

Foto: links een galette des rois; rechtsboven een galette des rois met figuurtje,; rechtsonder een gâteau des rois.

Dreikönigskuchen (D), King cake, Epiphany cake, Ring of the Kings (E), galette des rois, gâteau des rois (F)

“De koning drinkt” in de kunst

Het bonenfeest kent in de kunst een rijke ikonigrafische traditie. Er zijn twee voorstellingen. De oudste en minst voorkomende stelt een feestend gezin voor waarbij de bonentaart centraal staat. Zo bijv. een 14de eeuwse miniatuur in de Heures dites d’Adélaïde de Savoie (Chantilly, Musée Condé) en „De koningentaart“ (1774) van Jean-Baptiste Greuze (Montpellier, Musée Fabre). Het tweede type is de voorstelling van de koning die het glas heft (of het glas aan de mond zet) en de feestvierders die „De koning drinkt“ uitroepen. Het genre was in de Nederlanden in de 17de eeuw zeer populair. Jacob Jordaens (1593-1678), Jan Steen, David Teniers de Jonge, Jan Miense Molenaer, Richard Brakenburgh en vele anderen hebben het onderwerp vele malen geschilderd.

Foto´s. Links: Jacob Jordaens, Das Fest des Bohnenkönigs, ca. 1645, Wenen, Kunsthistorisches Museum. Rechtsboven: Jacob Jordaens, De koning drinkt, 1638, Brussel, Museum voor Schone Kunsten. Rechtsonder: Jan Steen, Driekoningenfeest, Kassel.

© Piet Schepens (2018-2021)