De Praagse Lente in 1968 en haar mislukking

De Praagse Lente van 1968 was in het kommunistische Tsjechoslovakije (ČSSR) een korte periode van politieke dooi, waaraan een einde werd gemaakt in de nacht van 20 op 21 augustus 1968 door de inval van troepen van het Warschaupakt.

Praagse Lente, Miloš Forman, Het brandweerbal

Foto: Miloš Forman, Het brandweerbal, 1968, sfeerbeeld

De bevolking van Tsjechoslovakije wenste een beter leven, er was in de jaren zestig, vooral in 1963, een zware ekonomische krisis, een gevolg van de mislukking van de planekonomie. In de periode 1964-67 week de Tsjechoslovaakse politieke koers steeds meer af van die van Moskou. Er was ook een voorzichtige liberalisering op kultureel gebied wat had geleid tot o.a. de produktie van maatschappijkritische films als bijvoorbeeld Spalovač mrtvol (De lijkenverbrander, Juraj Herz, 1965), Bílá paní (De witte dame, Zdeněk Podskalský, 1965), Sedmikrásky (Madeliefjes, Věra Chytilová, 1966), Ostře sledované vlaky (Zwaar bewaakte treinen, Jiří Menzel, 1966) en Hoří, má panenko (Het brandweerbal, Miloš Forman, 1968). Kenmerkend voor deze films, later onder de noemer Tsjechoslovaakse New Wave gebracht, zijn o.m. experimenteervreugde, zwarte en absurde humor met kritiek op het kommunistische systeem. Tijdens het Vierde Kongres van de Tsjechoslovaakse Schrijversbond eind juni 1967 hielden Milan Kundera (openingsrede), Arnošt Lustig, Pavel Kohout, Ivan Klíma en Ludvík Vaculík kritische redevoeringen. Op 31 oktober 1967 was er in Praag een spontane studentendemonstratie tegen de miserabele woonomstandigheden op de Strahovkampus. De inderhaast opgeroepen politie- en veiligheidstroepen gingen de ongeveer 2000 studenten hardhandig te lijf, wat tot algemene verontwaardiging leidde. De studenten bleven de daaropvolgende weken protesteren en in december verklaarden ze zich solidair met de arbeiders, die omwille van de slechte ekonomische en sociale omstandigheden in sommige fabrieken protesteerden, hier en daar werd zelfs gestaakt.

Praagse Lente, Rudé Pravo, januari 1968

Foto: Rudé Pravo, 6 januari 1968, “Kameraad Alexander Dubček / eerste sekretaris ÚV KSČ” (Centraal Komitee van de Kommunistische Partij)

Op 5 januari 1968 werd de stalinist Antonín Novotný als Eerste Partijsekretaris door hervormingsgezinde leden van het Centraal Komitee van de Kommunistische Partij (KP) weggestemd en vervangen door Alexander Dubček. Onder druk van de media, die vanaf februari de censuur ignoreerden, trad Novotný op 22 maart ook af als president (hij werd afgelost door Ludvík Svoboda). De liberalisering werd politiek gedragen door hervormers binnen de partij, o.w. opvallend veel Slovaken zoals Alexander Dubček, die het gelaat werd van de Praagse Lente, maar de motor van de hervormingen waren vooral anderen o.w. Oldřich Černík, Josef Smrkovský, Ota Šik en František Kriegel. Het volk steunde de hervormingen, men wilde een beter leven, maar niet het einde van het kommunisme.

Op 5 april 1968 publiceerde de KP een aktieprogramma, dat de eigenlijke Praagse Lente inluidde: noodzaak van ekonomische en politieke hervormingen, breuk met het burokratisch verleden, menings- en dus ook persvrijheid, vrijheid van reizen, recht op samenkomsten, rehabilitatie van de slachtoffers van stalinistische zuiveringen, mogelijkheid om nieuwe politieke groepen op te richten. De censuur werd in juni bij wet afgeschaft en de media werden het belangrijkste instrument voor de liberalisering, er was een „explosie van informatie“: de burgers kwamen details van kommunistische misdaden te weten en de leugens achter de kommunistische propaganda werden bekend gemaakt. In kranten, tijdschriften en op de radio kwamen thema´s aan bod die tot dan als taboes golden: de dood van Jan Masaryk, de vervolging van kloosterlingen, boeren, scouts, leden van de (paramilitaire) turnvereniging Sokol, exlegionnairs enz. Twee miljoen Tsjechen verkregen toen een reispas, in Praag waren jeans te verkrijgen, ook Amerikaanse sigaretten, Schotse whisky enz.

Vanaf januari had de Sovjetleider Leonid Brezjnev tijdens diverse telefoongesprekken en ontmoetingen met Alexander Dubček laten weten dat men de hervormingen in Tsjechoslovakije niet kon aanvaarden, maar Dubček reageerde daar steeds opnieuw ontwijkend op en loog de bevolking voor dat alles wel in orde zou komen. Uiteindelijk vielen in de nacht van 20 op 21 augustus 1968 ongeveer vierhonderdduizend soldaten uit de Sovjetunie, Polen, Hongarije en Bulgarije het land binnen. De Praagse Lente was voorbij.

Praagse Lente, augustus 1968

Foto: Praag, Wenceslasplein, Sovjettanks in augustus 1968

Op woensdag 21 augustus werden Alexander Dubček, Josef Smrkovský, Josef Špaček en František Kriegel, allemaal leden van het Centraal Komitee van de KP, aangehouden en naar Moskou overgebracht, waar dan „gesprekken“ plaats vonden. De Sovjets hadden een protokol opgesteld: in de ČSSR was een kontrarevolutie geweest die een militaire inval gelegitimeerd had, ze eisten en verkregen de ongeldig verklaring en intrekking van bijna alle hervormingsbesluiten van de 14de partijdag, dus opnieuw invoering van censuur, kontrole van radio en tv, enz. Op 26 augustus werd het “Protokol van Moskou” ondertekend. Alleen František Kriegel, een moedig man (die later Charta 77 zou steunen), weigerde zijn handtekening. De Sovjets hadden de Tsjechoslovaakse leiders nog nodig, die behielden vooralsnog hun funkties omdat ze de bevolking in “goede banen” verder moesten leiden. De facto nam de neostalinistische druk toe en tienduizenden Tsjechen en Slovaken, vooral intellektuelen en gespecialiseerde vaklui, verlieten hun land. In november waren er studentenstakingen, de studenten vonden dat de bevolking na de mislukking van de Praagse Lente in een lethargie was terechtgekomen en riepen op tot reaktie. De vakbond der metaalarbeiders kondigde een staking aan, andere organisaties en studenten sloten zich bij dit initiatief aan.

Praagse Lente, gedenkteken Palach en Zajíc

Foto: Praag, Wenceslasplein, gedenkteken voor de zelfverbranding van Jan Palach en Jan Zajíc

Op 5 januari sprak Smrkovský, toen parlementsvoorzitter, in een emotionele toespraak op radio en tv de bevolking toe: hij riep de vakbonden op om niet te staken, een staking zou immers zeer zware gevolgen hebben en internationale reakties uitlokken. Drie dagen later sprak Dubček op radio en tv, maar hij bleef als altijd zeer vaag en nietszeggend. Toen op 16 januari 1969 het Centraal Komitee van de KP vergaderde kwam het bericht van de zelfverbranding van de twintigjarige student Jan Palach, die drie dagen later overleed. ´s Anderendaags waren in het centrum lange rijen van rouwenden die het lichaam gingen begroeten, dat was opgebaard op een binnenplaats van het Karolinum, bij een standbeeld van Jan Hus, de Boheemse kerkhervormer die in 1415 op de brandstapel was terechtgesteld. De begrafenis op 25 januari was een massagebeurtenis, de straten zagen zwart van het volk, het was voor lange tijd de laatste massademonstratie tegen het kommunistische regime. Zes weken na de dood van Jan Palach stak de achttienjarige student Jan Zajíc zich ook in brand, ook hij overleed aan de verwondingen.

Antisovjetdemonstraties in januari en maart (o.a. tijdens het wereldkampioenschap ijshockey) leidden tot de val van de hervormers. In april werd Dubček als partijchef vervangen door Gustav Husák.

Praagse Lente, Brno, 1969

Foto: Brno, demonstraties in augustus 1969. De studente Danuše Muzikářová blijft dood achter, vermoord door leden van de Volksmilitie.

Op 21 en 22 augustus 1969, de verjaardag van de invasie, kwamen tienduizenden mensen op straat, niet alleen in Praag, ze skandeerden „Dubček, Dubček!“ Speciale ordetroepen werden ingezet, in Praag vielen drie doden. In Brno werden toen tweehonderdtachtig politieagenten (SNB) en driehonderd soldaten ingezet. Die werden aangevuld met tweehonderd leden van de Volksmilitie (LM). Dat was een gevreesde schurkenbende samengesteld uit het grootste krapuul dat men onder fabrieksarbieders kon vinden. Bewapen hen en je krijgt bloedbaden. In Brno vermoordden militieleden een achttienjarig meisje en een achtentwintigjarige man, er vielen acht zwaar- en twaalf lichtgewonden, vijfhonderd demonstranten werden aangehouden.

De politieke leiders, o.w. Dubček en Svoboda, symbolen van de Praagse Lente, keurden het gewelddadig optreden goed. Toen pas is bij de bevolking lethargie ontstaan en maakte men zich twintig jaar onzichtbaar. De bevolking heeft de “normalisatie” van de jaren zeventig en tachtig, een twintigjarige periode van diktatuur naar Stalinmodel, een terugkeer naar het strenge mensonwaardige kommunisme, vervolging, willekeur en geweld, apathisch aanvaard.

Vooral in het buitenland kreeg de Praagse Lente mythische gestalte: ideeën van vrijheid, rechtvaardigheid en vrede die brutaal werden verstoord door een militaire invasie, gevolgd door heroïsch verzet tegen de vreemde bezetter. Dat is pure mystifikatie. Dubček bleef het gelaat en de held van de “Praagse Lente”, maar in de jaren negentig publiceerden historici, na onderzoek van de bronnen (ook in Moskou), artikels over de persoon van Dubček en nu wordt hij in eigen land in veel kringen als een naieve zwakkeling beschouwd.

© Pieter Schepens (2018)