Huis “De witte roos” in Praag

Huis “U bílé růže” staat in de Brugstraat (Mostecká 276/17) in de Praagse Kleine Zijde. De Nederlandse kunstverzamelaar Boudewijn Jansen en zijn vrouw Yvette van Dishoeck zijn de meerderheidseigenaars. In 2005 ging de renovatie van het huis van start en drie jaar later werd de opvallende nieuwe met brons beslagen eikenhouten poort geplaatst, die is ontworpen door de Tsjechische beeldhouwer Petr Císařovský.

Het deurwerk stelt een fiktieve dialoog voor tussen de filosofen-theologen Jan Amos Komenský (Comenius) en Desiderius Erasmus van Rotterdam, symbool van de band tussen het Tsjechische en het Nederlandse volk. Het toneel is een studeerkamer, waar de twee akteurs samen aan tafel zitten: de Boheemse Broeder links (de oostelijke deurvleugel) en de katholieke priester rechts (in het westen). Comenius schrijft met een ganzeveer een boek en met de linkerhand nodigt hij de bezoeker uit om naar binnen te gaan. Erasmus wijst met de rechterhand naar boven en met de linkerhand naar een enveloppe, die de klep vormt van een reële brievenbus. Op de tafel staat een globe. Op de muur achter hen zien we symbolen van kunst en wetenschap, althans zoals de kunstenaar ze zich voorstelt. Beeldhouwkunst boven Comenius en schilderkunst boven Erasmus. Als een fries worden van links naar rechts de symbolen voorgesteld van poëzie (harp), geometrie (geometrische lichamen), theater (drama), de vier elementen (lucht, water, vuur, aarde), theater (blijspel), architektuur (huis De witte roos) en muziek (viool). Op de vloer zit links een kat, liggen boeken en bij de muis rechts ligt een perkament met erop de naam van de kunstenaar en de jaartallen 2007-2008. Het toneel wordt bovenaan afgesloten door een kassettenplafond en open gordijnen. In het verglaasde bovenlicht boven de poort zien we een sterrenhemel (9 sterren) en zon (links, oosten, morgenland) en maan (rechts, westen, avondland).

De deurvleugels zijn ook aan de binnenzijde met bronzen platen bekleed. Daar wordt een modern interieur voorgesteld met o.a. een mobiel telefoontje (met op het schermpje het telefoonnummer van de kunstenaar), een laptop (op het scherm het e-mailadres van de kunstenaar), een sleutelbos, een moderne brug in Rotterdam en het Dansende Huis in Praag.

Zie: website van de kunstenaar

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Praag, Huis De Witte Roos, Brugstraat 17. Foto: Wikipedia

Het huis De Witte Roos heeft een middeleeuwse oorsprong en werd meermaals verbouwd: laatgotisch, renaissance, barok en klassicisme. Vroeger was de inrijpoort in het midden, daarvan getuigt de opengelegde boogaanzet in de voorgevel (zie foto).

Eigenaars waren o.a. in de 16de eeuw leden van de adellijke families Lobkowicz en Kolovrat. Jan Jiří starší Dyrynk (Dirix von Brück und Rottenberg) had hier een apotheek, hij was purkmistr (burgemeester) van de Kleine Zijde, lutheraan en na de Slag bij de Witte Berg (1620) werd zijn bezit gekonfiskeerd en emigreerde hij naar Pirna (Saksen). In 1629 kocht de beheerder van de kunstschatten van de Praagse Burcht Ottavio Miseroni het huis, dat in handen bleef van deze familie tot 1678. Toen kocht geneesheer Jindřich (Hendrik) de Voss het huis. Zijn weduwe Johanna Dupont (afkomstig uit Atrecht), hertrouwd met Franciscus Leux (Luycx), zoon van de Antwerpse schilder Frans Luycx (Leux), verkocht het huis in 1681 aan Elias Karl von Schwarzenfeld. Het huis bleef tot diep in de 18de eeuw eigendom van deze familie.

Van 1770 tot aan zijn dood woonde hier de bekende schilder en grafikus Ludvík Kohl (1746-1821). In 1794 kocht Michael Karl von Kaunitz (Kounic) het pand. De huidige voorgevel dateert van 1871. Hier woonden enkele generaties lang slagers tot in het midden van de 20ste eeuw.

In het laatste kwart van de 19de eeuw woonde hier o.a. de handschoenmaker Rudolf Mrva (1873-93). Die spioneerde voor de politie in Tsjechisch-nationalistische kringen waaronder de Omladina (Jonge generatie), een eind jaren zeventig ontstane Tsjechische streng georganiseerde anarchistische geheime genootschap, die banden had met de politieke partij der Jongtsjechen. De aanhangers van Omladina waren socialistisch gezinde studenten, die pleitten voor demokratische en sociale hervormingen en de zelfstandigheid nastreefden van het koninkrijk Bohemen, dat toen nog een deel was van de repressieve politie- en soldatenstaat Oostenrijk-Hongarije. Na demonstraties in de tweede helft van 1893 werd in Praag de noodtoestand uitgeroepen en werden zesenzeventig studenten en jonge arbeiders aangehouden, allemaal verdacht van samenzwering tegen de staat en betrokken te zijn bij Omladina. Kroongetuige ten laste was Rudolf Mrva en die werd op 23 december 1893 in zijn woning in de Brugstraat vermoord. Begin 1894 begon het proces tegen de verdachten, die werden beschuldigd van hoogverraad en staatsgevaarlijke revolutionaire aktiviteiten. Deze rechtszaak , die veel ruchtbaarheid genoot, versterkte het nationalisme én het socialisme in Bohemen. Op 14 februari 1894 werden de vonnissen uitgesproken: acht vrijspraken, tot tien jaar gevangenisstraf voor de moordenaars van Mrva en van 14 maanden tot 8 jaar gevangenis voor de overigen. Bij het aantreden van de Badeni-regering in 1895 werd hen amnestie verleend. Onder de veroordeelden was de ekonoom en jurist Alois Rašín (1867-1923). In 1911 werd Rašín lid van het parlement in Wenen en in 1918 de eerste Minister van Financiën van de nieuwe staat Tsjechoslovakije. Hij werd in 1923 door een anarchist (!) neergeschoten en overleed anderhalve maand later. Naar hem is een van de Moldaukaden in de Praagse binnenstad genoemd (Rašínovo nábřeží).

Pieter Schepens (2016)